HOOFDSTUK 22 @BRK#Maddie reed de volgende ochtend vroeg op Zonnedanser naar de boerderij van Warry en Louise. Denkend aan de waarschuwing van haar moeder dat ze niet moest ‘verdwijnen’ had ze nog even bij Cassandra geïnformeerd wanneer het Skandische bezoek kwam, maar dat was pas ’s middags. ‘Maar dat betekent dat je uiterlijk om half twaalf terug moet zijn, want ik wil samen met jou naar de haven toe om ze te verwelkomen.’ Maddie beloofde dat ze op tijd terug zou zijn en ging naar de stal om haar paard op te zadelen. Even later reed ze door het poortgebouw en over de ophaalbrug. Ze knikte vriendelijk naar de wachters, die in de houding sprongen zodra ze haar zagen. Eenmaal in het parklandschap zette ze Zonnedanser aan tot een galop. Ze ging steeds wat harder en genoot van de wind in haar haren en het gedempte geluid van de hoeven op het keurig gemaaide gras. In het bos moest ze terug naar een drafje. De bomen stonden te dicht opeen om sneller te kunnen rijden – tenzij er natuurlijk sprake was van nood, maar dat was nu niet het geval. Fluitend reed ze verder en Zonnedanser, die merkte hoe goedgehumeurd ze was, schudde zijn manen en gooide zijn hoofd heen en weer. Ze boog zich voorover en klopte hem op zijn nek. Het was een goed paard, maar haar vrolijkheid kwam voort uit het vooruitzicht dat ze bijna weer bij Bumper was. Ze was al een paar dagen niet meer op de boerderij geweest en ze miste haar harige vriendje. ‘Als hij er niet was geweest, zou jij mijn favoriete paard zijn,’ zei ze en Zonnedanser gooide bij het geluid van haar stem zijn hoofd nog maar eens omhoog. Maar in tegenstelling tot Bumper gaf hij geen antwoord. Warry was in de schuur aan het werk toen ze het erf op reed. Hij had de grote deuren opengezet, zodat het daglicht hem beter zicht gaf bij het repareren van de leren strengen van de ploeg. Hij kwam Maddie tegemoet. Ze stapte van Zonnedanser af en Warry maakte de teugels aan een paal bij de ingang van de boerderij vast. ‘Goedemorgen Maddie,’ zei hij vrolijk. ‘Je komt zeker voor Bumper?’ ‘Zo is het, Warry. En voor jou natuurlijk,’ voegde ze er grijnzend aan toe. Ze had haar Jagersmantel opgerold achter haar zadel gebonden, maakte die nu los en sloeg hem om haar schouders. Zoals altijd voelde ze zich daar meteen positiever en zelfverzekerder door. De mantel was een symbool voor wie ze was en wat ze deed. ‘Ik wilde de omgeving eens een beetje gaan verkennen,’ zei ze. ‘Zijn er nog vreemde dingen gebeurd?’ Warry dacht even na voordat hij antwoord gaf. ‘Ik weet het eigenlijk niet,’ zei hij toen. ‘Ben Ketel, die een eind verderop een boerderij heeft, dacht dat hij laatst weer mensen in de oude abdij had gezien. Maar Ben heeft nogal een rijke fantasie. Zodra hij hoort dat er ergens onverwachte dingen gebeuren, denkt hij ze zelf ook te hebben meegemaakt. Nogal een dramatisch type, onze Ben.’ ‘Ik ga denk ik toch maar even kijken,’ zei Maddie. Ze had de zadelriemen onder de buik van Zonnedanser losgemaakt en liep de stal in, om Bumper op te zadelen. ‘Kun jij Zonnedanser voeren en water geven?’ vroeg ze. Warry knikte. ‘Met genoegen,’ antwoordde hij. Hij had zijn gereedschap al weggelegd en liep naar de geduldig wachtende Arridiaan toe. Hij wreef even over zijn fluweelzachte neus. Zonnedanser snuffelde wat en duwde zijn hoofd even tegen Warry’s jack, op zoek naar de appel die zich daarin altijd voor een hongerig paard bevond. Warry grinnikte en gaf het dier waar het om had gevraagd. In de stal verwelkomde Bumper Maddie hinnikend, met gespitste oren en wijd opengesperde ogen. Hij hief zijn hoofd boven de halfhoge deur van zijn stal uit. Ze pakte zijn zadel en zijn hoofdtuig van de haak aan de muur en tilde het zadel op zijn rug. Waar was je al die tijd? vroeg hij streng. Als Maddie hem te lang alleen liet kon hij behoorlijk geprikkeld reageren. Ze klopte hem op zijn nek en stapte geroutineerd op zijn rug. ‘Ik had het druk,’ zei ze zachtjes. ‘Ik vertel het je wel als we hier weg zijn.’ Nou ja, dat is allemaal leuk en aardig, maar ik maakte me zorgen om jou. Er kan van alles met je gebeuren als ik even niet in de buurt ben. ‘Dan had Zonnedanser wel voor me gezorgd,’ zei ze. Bumper brieste, en schudde met zijn manen. Zonnedanser? Dat doorgefokte excuus voor een paard? Wat kan hij dan wel doen als jij in de problemen zit? ‘Zonnedanser heeft een voortreffelijke stamboom, hoor,’ antwoordde ze. Maar hij was niet onder de indruk. Raspaarden zijn hysterische beesten. Ze kunnen niet tegen de spanning, en dat is slecht voor hen én voor jou. Jagerspaarden hadden een gemengde achtergrond. De paardenfokkers van het korps selecteerden allerlei paarden vanwege hun goede eigenschappen – snelheid, uithoudingsvermogen, intelligentie en dergelijke – en combineerden die eigenschappen in de harige kleine paarden waar de Grijze Jagers op reden. Een paard als Bumper, dat overal wel een mening over leek te hebben, keek dan ook enigszins neer op de vermeende kwaliteiten van raspaarden. Maddie zuchtte. ‘En daarom vinden sommige mensen paarden dus verwaande knollen.’ Bumper hief met een ruk zijn hoofd omhoog, maar zweeg. Ze glimlachte. Voor het eerst had ze een woordenwisseling met hem gewonnen. ‘Tegen wie praat je?’ vroeg Warry toen ze de stal uit liepen. Ze schudde haar hoofd. ‘Tegen mezelf. Dat overkomt me steeds vaker.’ Warry knikte begrijpend. ‘Het eerste teken van gekte,’ zei hij vrolijk. Hij had al langer de indruk dat de Jagers tegen hun paarden praatten. Hij had het Gilan ook al een paar keer horen doen. Maar hij beet natuurlijk nog liever zijn tong af dan dat hij dat toegaf. ‘Ik wilde maar eens in de buurt van de oude abdij gaan kijken,’ zei ze. Ze zette Bumper tot een draf aan en de boer zwaaide haar lachend uit. Vanaf het erf reed ze vrijwel meteen het omringende bos in. Ze waren al halverwege de abdij toen Bumper inhield en zich weer tot haar richtte. Hij mocht dan doen alsof ze hem had beledigd, hij was ook nogal babbelziek en kon nooit lang stil blijven. Wat denk je hier te zullen vinden? vroeg hij, terwijl ze over het steile pad naar de abdij liepen. ‘Waarschijnlijk niets,’ gaf ze toe. ‘Warry hechtte weinig waarde aan de berichten dat hier mensen waren geweest.’ Het terrein rond de abdij, een stenen gebouw van twee verdiepingen met aan een van de uiteinden een klokkentoren, was over een breedte van vijftig bij dertig meter boomvrij gemaakt. Het woei hier, op de top van de heuvel, harder dan beneden en de bomen van het omringende bos wuifden in de wind. Er stonden onder andere flink wat dennen, en het kenmerkende ruisende geluid van de wind in de takken van de naaldbomen klonk aangenaam. Ze trok zachtjes aan de teugels en Bumper stopte. Ze nam de omgeving eens in ogenschouw. In vergelijking met de vorige keer dat ze er was zag ze geen verschil. ‘Ik zie niks geks,’ zei ze. De bodem was hard en rotsig en ze wist dat het hier een dag eerder nog had geregend. Dat zou samen met de wind alle sporen van menselijke aanwezigheid wel hebben uitgewist. Mochten er nog aanwijzingen zijn dat hier mensen waren geweest, dan moest ze binnen zoeken. Ze zwaaide haar been over Bumper heen en stapte af. Op het moment dat haar voet de grond raakte en haar gewicht opving kreunde ze even zachtjes. Haar heup bleef gevoelig. ‘Hier blijven,’ zei ze tegen haar paard. Hij spitste zijn oren, maar reageerde verder niet. Ze verwachtte weliswaar geen problemen, maar ze had geleerd daar altijd op voorbereid te zijn. Ze pakte haar boog uit de leren hoes die aan Bumpers zadel zat, maakte de pijlkoker los van het zadel en vast aan haar riem. Ze bewaarde de boog en de koker bij Bumper op de boerderij. Een behoorlijk krachtige boog en een koker vol pijlen met messcherpe punten zou in kasteel Araluen maar ongewenste nieuwsgierigheid oproepen. Ze legde een pijl op de pees en liep naar de abdij. De dubbele deur zag er dicht uit, maar de linkerhelft stond wel op een kiertje van een paar centimeter. Ze probeerde zich te herinneren of dat de vorige keer ook zo was, maar dat wist ze niet meer. ‘Fijne Jager ben jij,’ mompelde ze in zichzelf. Met die woorden was ze altijd heel streng voor zichzelf. Ze stak haar linkerbeen uit, plaatste haar voet tegen de op een kier staande deur en zette kracht. De roestige scharnieren piepten en kraakten, en de stroefheid ervan voorkwam dat de deur meteen weer in haar gezicht dichtsloeg. Ze kon naar binnen. Ze wachtte en luisterde goed of er binnen iets gebeurde. Haar hartslag ging omhoog en ze begon wat gejaagder te ademen. Om de abdij in te gaan moest ze zich in de deuropening tonen, met het daglicht in haar rug. Als er iemand binnen was, dan was ze een makkelijk doelwit. Als er iemand binnen was. Ze glipte snel en zo stil mogelijk door de deuropening en deed onmiddellijk een stap naar rechts, zodat ze zo kort mogelijk als doelwit kon dienen. In het duister van het oude gebouw voelde ze zich al een stuk veiliger. Behalve een paar gedroogde, door de wind rondgeblazen bladeren bij de ingang was er nergens beweging te zien. Haar ogen wenden geleidelijk aan het duister, waardoor ze om zich heen kon kijken of er ergens gevaar dreigde, maar dat was niet het geval. De abdij bestond uit één grote ruimte, met tegen de achtermuur als koor een houten galerij. Daarboven verrees de klokkentoren. Een gammele oude ladder bood toegang tot de galerij, die drie meter boven de vloer lag. Daar weer hoog boven was er een hoog gewelfd plafond. In elk van de muren aan weerszijden ervan zat een grote raampartij. De ingang bevond zich halverwege een van de lange zijmuren, zodat ze zowel de galerij als het altaar en de preekstoel kon zien. Er stonden nog altijd verschillende rijen kerkbankjes, maar minstens de helft was verdwenen – meegenomen door inwoners van de streek, vermoedde Maddie. Ze waren van goede kwaliteit hout gemaakt en het had inderdaad weinig zin om ze hier te laten wegrotten. Ze vermoedde dat ze op een rondje langs de boerderijen in de omgeving heel wat van de bankjes zou terugvinden, soms nog steeds om op te zitten, maar vaak ook omgetoverd tot losse stoelen, ledikanten of ander meubilair. De deur piepte even doordat een wat sterkere windvlaag er een zetje tegen gaf. Ze merkte dat ze haar adem had ingehouden en slaakte een diepe zucht. Ze liet de boog zakken en haalde de spanning van de pees af. En toen zag ze de vossenkop. Op het eerste gezicht leek het niets anders dan wat willekeurig gekras in de harde aarden vloer, maar toen ze beter keek zag ze dat de lijnen bij elkaar een afbeelding vormden. Vanaf de plek waar ze stond was de tekening ondersteboven, maar toen ze dichterbij kwam herkende ze wat die moest voorstellen: een ruwe schets van de kop van een vos. De afbeelding stond tussen twee van de resterende kerkbankjes in en ze nam aan dat die met de punt van een stok of een of andere metalen staaf in de harde aarde was gekrast. De tekenaar had zich waarschijnlijk op een van de bankjes zitten vervelen – bijvoorbeeld in afwachting van de bijeenkomst waarvoor hij hier uiteindelijk naartoe was gekomen. Eén ding was wel zeker: die tekening was er bij haar vorige bezoek aan de abdij nog niet geweest. ‘En dus lijkt het erop dat hier wel degelijk dingen zijn gebeurd,’ dacht ze hardop na. Ze keek naar de rest van de vloer, maar vond verder geen sporen. Een in de aarde gekrast vossengezicht was echter meer dan voldoende aanwijzing voor wie hier waren geweest. Het zou veel te toevallig zijn als dit géén leden van de Clan van de Rode Vos waren geweest. En zoals Will altijd zei: Wij geloven niet in het toeval. Nadat ze zich ervan had overtuigd dat er verder geen aanwijzingen waren over wat zich hier onlangs had afgespeeld, liep ze terug naar de ingang. Bij het naar buiten gaan trok ze de deur achter zich dicht en ze voegde zich weer bij Bumper. Haar paard stak nieuwsgierig zijn hoofd omhoog. Iets gevonden? ‘Absoluut. Het lijkt erop dat Ben Ketel geen onzin liep te verkopen,’ antwoordde ze. ‘We zullen hier terug moeten komen om de boel in de gaten te houden.’ Bumper zwaaide even met zijn staart naar een paardenvlieg. Lijkt me prima. Maddie aaide hem even over zijn nek terwijl ze in gedachte de mogelijkheden doornam. Ze kon onmogelijk bepalen of en wanneer de Vossen hier weer bijeen gingen komen. Ze moest de abdij voortaan elke dag in de gaten houden, en dus moest ze elke avond via de tunnel het kasteel uit glippen. ‘Ik heb jou dichter bij het kasteel nodig,’ zei ze tegen Bumper. ‘Ik vind wel ergens een plekje voor je, dicht tegen de bosrand aan.’ De abdij in de gaten houden kon weleens een klus voor langere tijd worden en ze had geen zin hier elke avond naartoe te lopen. En op Zonnedanser naar de boerderij rijden en daar van paard wisselen, zoals ze vandaag had gedaan, kon ook niet, want dan zou men haar zien gaan en komen. Als men wist dat ze elke avond uren achtereen buiten het kasteel was, gingen mensen – haar moeder bijvoorbeeld – vragen stellen. ‘En ik kan die vragen nog niet beantwoorden,’ gaf ze aan zichzelf toe. ‘Ik heb eigenlijk niet meer dan een vaag gevoel dat er rare dingen aan de hand zijn.’ Ze reed terug naar de boerderij, waar Warry inmiddels de ploeg had gerepareerd en nu met een kapotte scharnier in het hek om het erf bezig was. ‘Heb jij nooit eens even vrij?’ vroeg ze. Hij schudde breed lachend zijn hoofd. ‘Een boer weet niet wat vrij is,’ zei hij. ‘Heb je bij de abdij nog iets interessants gezien?’ Ze vertelde hem over het in de grond gekraste vossengezicht. Hij wreef even over zijn kin. ‘Ik heb die tekening daar nooit gezien,’ zei hij. ‘Waarom zou iemand dat doen?’ Ze haalde haar schouders op. ‘Uit verveling, denk ik. Hoe dan ook, ik kom daar de komende dagen elke avond de wacht houden. Ik vind wel ergens een plek voor Bumper, dichter bij het kasteel. Kan ik een emmer en een paardendeken van jullie lenen?’ Ze keek omhoog en zag hoe de wind witte wolken voortjoeg. Het regenfront leek wel weer voorbij. ‘En misschien ook iets van een zak haver, als jullie dat hebben,’ voegde ze eraan toe. Warry knikte en liep de schuur in om de dingen waar ze om had gevraagd te pakken. ‘Zal ik met je meegaan om de wacht te houden?’ vroeg hij toen hij haar de spullen gaf. Ze schudde haar hoofd. ‘Ik doe het liever alleen. Met z’n tweeën lopen we twee keer zoveel kans dat we worden gezien. En ik ben wel gewend om uit het zicht te blijven.’ Ze klom weer op Bumpers rug en maakte de teugels van Zonnedanser los. ‘Ik moet nodig terug, een stelletje Skandiërs ontvangen,’ zei ze.